Seks en zo

Seksualiteit is binnen de hulpverlening natuurlijk geen taboe. Het is alleen zo dat sommige hulpverleners er niet over praten. Zelf werd ik me van de ernst van dit thema bewust toen ik als jonge ziekenhuismaatschappelijk werker door mijn oncologieafdeling was meegenomen naar een congres, waar ook een seksuoloog sprak. Hij schetste met wat humor en cynisme het taboe dat er in de verpleging wel bestond op dit thema – en schetste ook een rangorde: de arts gaat er vanuit dat de verpleging het met de kankerpatiënt heeft over de bijwerkingen van de behandeling, de verpleegkundige denkt dat de maatschappelijk werker van de afdeling dit doet. En….dat was ik dus. En ik had het wel eens over seksualiteit en intimiteit met patiënten en hun geliefden, maar nooit standaard. Vaak kwam het aan de orde als paradox: seks en kanker;  gevoel van leven /gevoeld van dood. Hoe geef je dat een plek in je relatie? Het was niet in me opgekomen dat  met het bespreken van de behandeling,  de implicaties rond de lichamelijke consequenties – ook op het seksuele vlak, niet besproken zouden worden. Dat was dus wel het geval.

In de hele periode  van 8 jaar dat ik als maatschappelijk werker in het ziekenhuis werkte, heb ik  maar 1 doorverwijzing gehad waarin seks als thema in de vooraf geformuleerde hulpvraag was benoemd. Het ging om een dame van 82 die een borstamputatie had ondergaan. Haar 5 jaar oudere man was (beginnend) dementerend, in de war en seksueel ontremd. Deze mevrouw was na haar operatie naar huis gegaan met een pijnlijk en geschonden lijf. Hij had een onverzadigbare behoefte aan seks waar ze voor de ziekenhuisopname nog wel aan toe wilde geven (al was ze er zelf ‘wel al langer een beetje klaar mee, voor mij hoeft het niet meer zo nodig’). Ze was er vanuit gegaan dat hij met enige redelijkheid naar haar argumenten zou luisteren, toen ze terug kwam uit het ziekenhuis. Dat bleek niet het geval. Feitelijk werd ze sinds dien iedere avond door haar man, die al 60 jaar haar echtgenoot was, verkracht. Ze was gelukkig mondig, wars van taboes en had een heldere hulpvraag – waar we met haar, haar kinderen en haar (huis)arts direct actie op konden zetten. De echtgenoot ging naar een logeer plek – waar hij met medicatie zijn seksuele drive onder controle werd gebracht. Mevrouw kon eerst alleen – en later weer met haar man in de buurt, van haar operatie herstellen.

Seks is in de hulpverlening taboe – seksualiteit bij ouderen is vaak echt ingewikkeld. Vaak niet zozeer voor de ouderen zelf, maar voor de mensen er omheen. Ik weet dat ik in mijn opleidingstijd (op maandagochtend het eerste uur) door een vooruitstrevende docent werd verplicht te kijken naar een film over intimiteit en seksualiteit bij ouderen. De insteek was vernieuwend, namelijk: expliciet. Het feit dat ik het nu nog weet, zegt genoeg.

Bij het schrijven van mijn boek  over ouderen voor de opleidingen social work, vond ik dat een hoofdstuk rond seksualiteit en intimiteit op latere leeftijd niet mocht ontbreken. Lector Hilde de Vocht (helaas dit voorjaar overleden) scheef hier een prachtig informatief hoofdstuk over. Niet met de insteek dat iedere sociaal werker een ‘dr Ruth’ moet worden. Maar wel met basisinformatie – waardoor wij kunnen bijdragen aan de kwaliteit van leven. Al was het maar door het als thema te durven benoemen, het niet te negeren en waar als het nodig is: door te verwijzen. Wij zijn tenslotte van het normaliseren. En van alle levensdomeinen, niet waar? U ook…?

Beperkt

Mijn oom Thijs overleed op 57-jarige leeftijd op een zaterdagochtend om 10.30 in de C&A van Middelburg. Hij zocht kleren uit voor zijn 40-jarig jubileum bij de sociale werkplaats toen hij letterlijk omviel en dood was. Een schok voor alle betrokkenen. Wat is er gebeurd? We kunnen er alleen maar naar gissen – maar gezien de bevindingen van het medisch personeel is een acute scheur in een ader bij zijn hart het meest waarschijnlijke scenario. De doodsoorzaak is verder niet onderzocht. Thijs had geen kinderen waarvoor een eventuele uitkomst relevant zou kunnen zijn. Zijn dood stond ook los van zijn verstandelijke beperking. Omdat hij ‘gewoon’ zuurstofgebrek had gehad bij de geboorte – waren er geen specifieke medische kenmerken of syndromen waar hij last van had.

Toch is mijn moeder (de zus van Thijs) er van overtuigd dat zijn dood weldegelijk in verband te brengen is met zijn beperking. Specifieker nog; met de stress die hij hierdoor ervaarde. De ‘vermaatschappelijking’ van de zorg bracht Thijs van een gezinsvervangend tehuis naar een begeleid kamer-trainingsproject. En daarna naar een eigen flatje – in een complex met lotgenoten. Daar leerde hij Nel kennen. En gezegend met het koppige karakter dat vaker voorkomt in de familie, besloot hij dat hij naast een baan, een huis en een auto (Jawel! Thijs kon autorijden – de praktijk was het probleem niet – het theorie-examen natuurlijk wel, maar dankzij het engelengeduld van opa was dat toch gelukt), ook een vrouw wilde; Nel. Tegen de stroom in die er heerste binnen de familie, trouwden ze. En gingen samen wonen in een huisje –er was wekelijks begeleiding. De gezondheid van Nel liet te wensen over (ernstige diabetes,  COPD, gecombineerd met een beperkt snapvermogen, en een eigengereid karakter,  taartjes eten en roken). Daarnaast had Nel last van depressies. Ze werd regelmatig opgenomen in het ziekenhuis. Een ongezonde levensstijl gecombineerd met labiliteit en eenzaamheid. Ze vertrokken samen naar een gelijkvloers-appartement boven de Aldi; omdat Nel geen trappen meer kon lopen. Ondertussen: ziekenhuis in – ziekenhuis uit. Thijs deed zijn best zo goed mogelijk te zorgen: zijn fulltime baan bij de groenvoorziening (hij verzaakte nooit, nam hooguit een snipperdag als het nodig was), het huishouden, de boodschappen, hij deed het allemaal. Het scenario dat Nel zou komen te overlijden hadden we een aantal keren dicht genaderd. Ook dat trok een grote wissel op Thijs. Gesprekken met ‘de leiding’ en met de artsen – Thijs was er bij. Natuurlijk met hulp van zijn begeleiders, zijn broer en waar nodig met de bewindvoerder. Maar…het was altijd op zijn tenen lopen. De wereld was ingewikkelder dan hij aankon – zijn verlangen ‘normaal mee te doen’ groot. De eenzaamheid eveneens – want wat moet je in een flat met mensen waar je bijna niet mee kan praten?

Nel lag in het verpleeghuis (revelatie plek) toen Thijs plotseling overleed. Ze is nooit meer teruggegaan naar hun stek boven de ALDI. De mix tussen haar snapvermogen, karakter en haar gezondheid bleek niet revalideerbaar. De dood van Thijs een extra klap. Grote vraag werd dus; ‘Wat doen we met Nel? . De begeleiders van Nel, de familie, het verpleeghuis – ze hebben regelmatig gesprekken gehad. Ze staat nu al lang op de wachtlijst voor een specifieke plek die Arduyn heeft gereserveerd voor ouderen met een verstandelijke beperking. Ondertussen is ze nu ondergebracht in een verpleeghuis-met-eigen-kamer.

Vermaatschappelijking heeft wat mij betreft een keerzijde. Oud worden met een verstandelijke beperking helemaal. We zijn er nog niet op ingericht als maatschappij dat mensen met een beperking oud worden. Thijs was met zijn 56-jarige leeftijd oud te noemen. Mensen met een verstandelijke beperking worden sneller oud en de definitie trekt voor deze mensen een leeftijdsgrens van 55. Er zijn specifieke syndromen (bekendste is natuurlijk Down) waar de veroudering zichtbaar sneller verloopt. Maar ook slechte voeding, ongezonde levensstijl en eenzaamheid zijn killers. Nel is opgebloeid in het verpleeghuis – ze vindt de mensen die haar verzorgen lief, ze heeft activiteiten waar ze naar toe kan en aandacht. Nog geen lotgenoten om haar heen – maar daar wordt aan gewerkt.

Een bittere pil?

De vergrijzing in Nederland kent zeer wonderlijke consequenties. Ik scan natuurlijk al het nieuws dat direct of zijdelings met ouder-worden en oud-zijn te maken heeft. Een bericht waar ik even over na moest denken trof ik vorige week aan en natuurlijk maak ik u graag deelgenoot. Overigens zonder u onnodige zorgen aan te praten. Het RIVM heeft nadrukkelijk laten weten, zo vermeldde het bericht, dat er geen reden is voor ongerustheid. Waar gaat het allemaal om? Ons Nederlands drinkwater (let wel – van topkwaliteit – het beste van de wereld) wordt in toenemende mate vervuild door medicijngebruik.

Wat is er aan de hand? De groep ouderen in Nederland neemt toe. Daarmee ook het aantal mensen dat medicatie gebruikt. Reststoffen van deze medicatie worden door onze ouderen (en natuurlijk af en toe ook door onszelf) massaal uitgeplast en komen zo in onze riolering terecht. En daardoor ook in ons oppervlakte water. Dit gegeven vormt, samen met de klimaatverandering een probleem. Want hoewel deze zomer niet illustratief is, worden er steeds vaker perioden van droogte gesignaleerd en voor de toekomst voorspeld. Deze droge perioden zorgen voor minder oppervlakte water, minder water in onze rivieren – en dus een hogere concentratie medicatie in het water dat er nog wel is.

Er is al een leuke cocktail  geconstateerd van zo’n 200 medicijnen in ons oppervlaktewater waaronder pijnstillers, middelen tegen hart-en vaatziekten en antibiotica. Nu.nl heeft het nieuws veel eerder opgepikt dan ik en citeert in januari van dit jaar al een artikel uit het Tijdschrift voor Geneeskunde: “Wat mensen ongemerkt binnenkrijgen via drinkwater is ongeveer 1000 keer minder dan wat patiënten bewust innemen bij het slikken van medicijnen. De langetermijneffecten van blootstelling aan zulke lage concentraties geneesmiddelen of aan mengsels van zulke middelen, is echter onbekend”. En ook dieren dragen bij aan de vervuiling van het water  - via de mest die zij op het land achterlaten. Rioolzuiveringsinstallaties zijn niet in staat om alle resten van medicatie uit het water te zuiveren, zij blijven steken op zo’n 65%. En dus wordt ons oppervlaktewater niet geheel ‘medicijn vrij’ opgeleverd. Natuurlijk gaat het om geringe hoeveelheden en is er geen reden voor ongerustheid, zo wordt benadrukt door deskundigen. Toch wordt er niet ontkend dat toenemende vergrijzing en klimaatverandering er voor kunnen zorgen dat de kwaliteit van ons drinkwater onder druk komt te staan. Jaarlijks komt er ruim 11 ton geneesmiddel in het oppervlakte water (let wel, dus niet in ons drinkwater – dat is zo’n 35%....). Betere zuiveringsinstallaties zijn mogelijk, maar zouden de kosten van de zuivering twee keer zo duur maken. Ziekenhuis-water apart opvangen is niet de oplossing van het probleem; slechts 20 procent van het vervuilde water komt uit een ziekenhuis. De rest komt gewoon uit de woonwijken waar u en ik, onze ouders en oma’s wonen. Er is een plan opgesteld om er voor te zorgen dat de medicijnresten in het water sterk worden verminderd ‘door de hele keten aan te pakken’; industrie, ziekenhuizen, artsen, apothekers. En ik neem aan ook patiënten..… even iets om bij stil te staan, toch?

Huidhonger

Toen ik een jaar of zestien was, werd ik geknipt door een kapper in Middelbrug. Een gezellig zaakje waar drie dames knipten en een jongen. En jongen in de zin van een jonge knul. Maar wel een boom van een kerel, minstens twee-meter-tien. Zijn handen waren navenant meegegroeid en waren gigantisch. Terwijl ik geknipt werd kon ik via de spiegel zien dat deze boom van een vent bezig was het haar van een oude dame te wassen. Ze kwam voor een nieuw permanentje – vanzelfsprekend met zo’n paarsachtige gloed erdoor. Super hip. In die tijd. Let wel, we hebben het over Middelburg rond 1988. Ik kon ze niet alleen zien door mijn ‘achteruitkijkspiegel’. Ik kon ze ook horen. De dame zat te genieten – en daar kwam ze ook voor uit. Ze vond het heerlijk dat die grote handen haar hoofdhuid masseerden. Zat bijna openlijk te spinnen. Ze werd er helemaal ontspannen van. ‘Nou’, bood Leon aan, “Als u het zo lekker vindt, dan was ik het toch gewoon een tweede keer’. En inderdaad greep hij nogmaals naar de shampoofles voor een tweede wasbeurt en daarna gingen ze ook nog voor een lekkere nabehandeling.

Ik ben het nooit vergeten. Omdat het zo aandoenlijk was. En omdat ik wist dat deze dame bijna een nek hernia heeft moeten doorstaan voor een dergelijk lange wasbeurt. En vanwege Leon die daar bijna dubbel gebogen deze dame verwende met een extra hoofdhuid massage.

De research en de voorbereiding rond het boek ‘Ouderen van nu’ bracht deze hele scene weer terug. Ik ontdekte bij het lezen van stapels materiaal namelijk het meest trieste woord dat is als het gaat om oud-worden en oud-zijn. Een woord dat het grootste verlies dat ouderen lijden beschrijft, althans dat denk ik. Namelijk het verlies van de aanraking door iemand anders. Het niet-meer-aangeraakt worden heeft een naam: huidhonger. Ik dacht nog even dat het een verzinsel was van een feministische filosofe, waar ik iets van las in de voorbereiding van het hoofdstuk rond verlies op latere leeftijd. Maar in het hoofdstuk rond ‘intimiteit en seksualiteit op latere leeftijd’ dat lector Hilde de Vocht voor ons boek als gastauteur schreef, kwam ik het opnieuw tegen. ‘Huidhonger’ bestaat dus op oudere leeftijd. Daar word ik even stil van.

Ik denk dat het de taak is van sociaal werkers, welzijnswerkers in welke vorm dan ook om de levens van ouderen aan te raken. In welke vorm dan ook.

Succesfull aeging?

Oud worden is van alle tijden. Toch is ouder worden zoals dat in onze tijd plaats vindt nieuw in de geschiedenis. Even de highlights op een rij:

·         De levensloop heeft zich in de laatste honderd vijftig jaar verdubbeld. Dat is een grotere winst in levensverwachting dan de vijfduizend jaar die daar aan vooraf ging.

·         Schattingen geven aan dat er van alle 65-plussers die ooit hebben geleefd, de helft op dit moment in leven is.

·         In 2030 is een derde van de Nederlandse bevolking 60+.

·         En nog nooit werden we zo oud als nu; de eerste 135-jarige in Nederland is tussen 2000 en 2010 geboren.

De twintigste eeuw vormt een nieuw en uniek hoofdstuk in de geschiedenis wanneer het gaat om ouder worden. We hebben geen voorbeelden waaruit we lering kunnen trekken. Misschien best een eng idee: wij zijn nu het nieuwe oud worden zelf aan het uit vinden. De nieuwe ouderdom is meer dan een demografisch feit; het is een antropologische revolutie. Belangrijke vraag is hoe die revolutie aangevoerd moet worden, en door wie. En…waar gaat de revolutie heen, wanneer is deze als geslaagd te beschouwen?

Het ‘succesvol’ oud worden (healthy aeging), is wanneer het letterlijk wordt opgevat een hype te noemen. De positieve toon, het ‘omdenken’ dat in deze visie zit verpakt, de focus op kansen, mogelijkheden - wekt irritatie bij ouderen, omdat zij aan hun eigen lichaam en soms ook geest ervaren dat zij verouderen. Zij zien bij zichzelf, bij hun partner en vrienden dat ouder worden ook zijn tol eist. Je kunt niet ‘gezond verouderen’. Het geeft mensen een valse voorstelling van zaken. Wel kan er door in te grijpen het verouderingsproces voor worden gezorgd dat het verouderingsproces minder snel verloopt. Tegelijk kan er voor worden gezorgd dat gezondheidsproblemen die evidente problemen opleveren bij ouderdom (zoals overgewicht) in het kader van voorzorg eerder in het leven wordt opgepakt. Schade aan de gezondheid kan daarbij niet volledig worden voorkomen, maar naar een latere leeftijd worden verschoven. Langer gezond blijven behoort dus wel tot de mogelijkheden. Een langere fase van ongemakken is, bij de toename van de levensverwachting zoals wij die nu kennen, onvermijdelijk. De winst is te behalen in het verkleinen van deze fase – en de fase van gezond oud zijn zo lang mogelijk te laten duren.

Ouderen voelen zichzelf niet oud – en dus is er in die zin sprake van ‘succesvol oud zijn’. Ouderen beoordelen hun eigen gezondheid als zeer goed (minder dan 10% van de ouderen ervaart zijn gezondheid daadwerkelijk als slecht), ook wanneer de arts aangeeft dat er iets aan de hand is (disability-paradox). De ervaren gezondheid ligt voor deze mensen dichter bij ‘kwaliteit van leven’ en ‘welbevinden’. Let wel; het domein van de gezondheid staat hier dus niet centraal – het domein waar de sociaal werker zich op bevindt wel! Hoe belangrijk de sociale component is ten opzichte van de gezondheid van ouderen wordt duidelijk als we stil staan bij de impact van het volgende citaat: 'ouderen met een klein sociaal netwerkhebben een hoger sterfterisico dan rokers, terwijl roken als een aan de grootste risicofactoren voor ziekte en overlijden wordt beschouwd.i]. Duidelijk wordt zo ook waar er naast medisch-technische oplossingen, winst geboekt kan worden in het sociale domein.

Het feit dat we met elkaar steeds gezonder en vitaler oud worden biedt heel veel kansen. Ouderen vormen niet alleen een probleem, zoals het maatschappelijke debat rond de kosten van de zorg soms doet vermoeden. Er moet wel nagedacht worden over de wijze waarop deze kansen mogelijk zijn in een samenleving waarin de vraag kan worden gesteld of ouderen een volwaardige positie innemen. Vitaliteit kan niet alleen worden verwacht van ouderen zelf – ook onze samenleving, onze organisatie(s) en dus ook onze hulpverleners zullen een vitale levenshouding moeten omarmen, waarin alle ruimte is voor eigen regie en zelfstandigheid. De stem van de ouderen zelf zal bij de herstructurering van de gezondheidszorg, en ook bij onze visievorming op ouderen steeds beter moeten worden gehoord en zou richtinggevend moeten zijn bij de hulpverlening aan deze zeer diverse doelgroep.